Hoofdstuk 7 Kritiek

Bedenk dat dit in 1994 is geschreven…


“Ahoi daar! Peter! Ik ben het Elis! Ik kom even storen!”
“Sorry Walter, beneden staat een oude kennis van me. Ze had al een mailtje gestuurd. Ik doe even open.”
“Een meeltje?”
“E-mail, elektronische post.”
“Niks voor mij, dat gedoe met computers. Geef mij maar een ouderwetse typemachine.”
“Dag Elis, kom binnen. Dit is Walter van wie ik je vertelde.”
“Ik ben net terug uit Chicago en ik dacht, kom, ik ga even langs, want ik heb nogal wat commentaar op jullie schrijfsels.”
“Wat? Begrijp ik daaruit, Peter, dat je onze stukken ook aan anderen laat lezen?”
“Zo gaat dat met die moderne technieken. Bezwaar tegen?”
“Nou, ik had me voorgenomen om het boek voor onszelf te houden totdat we er tevreden over zou zijn. Ik vind het vervelend om te horen dat er kopieën circuleren.”
“Wat we tot nu toe hebben, zit best redelijk in elkaar. Ik weet best dat het geen hoogstaande literatuur is, maar elke schrijver laat zijn probeersels aan anderen lezen. En ook al ben jij de opdrachtgever en heb je het recht om veranderingen aan te brengen, het basismateriaal komt van mij af. Zodoende.”
“Nou ja, goed dan. Het is nu blijkbaar eenmaal gebeurd. Brand maar los. Doe of ik er niet bij ben. Ik luister alleen.”
“Hmmm…”
“Tja… uh, nou Peter, ik vind de karakters veel te weinig uitgewerkt. De sfeertekening is uiterst beperkt. Verder weet ik niet eens hoe de hoofdpersonen er uit zien. Hoe kun je nou een roman schrijven waarin zulke essentiële ingrediënten ontbreken? Vroeger schreef je veel poëtischer.”
“Zoals ik het nu zie, waren dat eigenlijk maar flutverhalen. Het was schrijven om iets te doen te hebben. Nu probeer ik iets wezenlijkers te vertellen. Is dat je ontgaan?”
“Ik moet zeggen dat ik er weinig van begrijp. Mayanda is zo’n zweverig type.”
“Zweverig? Mayanda is juist hartstikke concreet! Ze zoekt een boek voor zichzelf, is heel direct tegen Martijn, heeft een kant en klaar oordeel over kunst, maakt etsen door een beetje in een plaat zink te zagen, beschrijft een film van zessenhalve minuut die je in het Tropenmuseum op de eerste verdieping kunt bekijken en vindt Van Damme een leuke filmster. En ze basketbalt. Ik snap niet wat daar nou zweverig aan is!”
“Welk boek pakte die Mayanda eigenlijk?”
Dat was de vraag niet.
“Doe toch niet zo vaag! Heb je er iets bij in gedachten of is het pure fantasie?”
“Wat denk je?”
“Jullie doen of het de waarheid is, maar volgens mij is alles verzonnen.”
“Het hele verhaal draait om de waarheid. Maar al weet je dat, dan heb je de waarheid nog niet te pakken. Dat zag je aan Martijn.”
“Wacht nou eens even, dat speelt in het verhaal! Maar ik vraag het jou, hier, persoonlijk. Mij kun je het toch wel zeggen?”
“Nee, want wat we hier bespreken komt ook in het boek.”
“Wat is dat nou voor flauwekul?”
“Je ziet toch dat Walter erbij zit. Dikke kans dat hij dit voorval ook wil opnemen. En hij wil geen titel genoemd zien. Dus kun je hooguit raden.”
“Zo. Zeg, Walter, en als ik het jóu nou eens ontzettend vriendelijk vraag: heb je een bestaand boek op het oog?”
“En wat dan nog?”
“Wat heb je in godsnaam voor reden om de titel geheim te houden?”
“Ach, denk maar dat dit een soort detectiveroman wordt. Met een geheime opdrachtgever.”
“En dan moet ik zeker jaloers zijn op Evelien! Truus heeft gelijk met haar opmerking dat het allemaal ‘gebakken lucht’ is! Jullie bekijken het verder maar. Ajuus!”
“Zo, die is weg. Aangebrand type, die Elis.”
“Ze reageert altijd nogal emotioneel.”
“Wie zijn trouwens Evelien en Truus?”
“Oh, dat weet jij natuurlijk niet. De geheimen van internet.”


Naar: hoofdstuk 8